De ballade van hoop en verlangen.

Een ander liedje, van Zjef Vanuytsel in duet met Sarag Bettens. ‘Als je zomaar zou weggaan’ voor mij zijn deze 2 liedjes, wonderschoon van tekst, en een hele mooie stemmenklank. Duidt de liefde aan anno twintigste eeuw, Het is vrijheid, het is ontdaan van elk traditie, van elk belofte en vaart op hoop en tenslotte komt dat de liefde in vrijheid een eenzame weg ontdaan van traditie en belofte. Vrijheid. Het is een stap in de mensheid, een stap voorwaarts, maar het is een eenzaam proces en afscheid nemen van elk illusie.

https://www.youtube.com/watch?v=wXM9iWOAauo&list=RDwXM9iWOAauo&start_radio=1&t=69

Advertenties

Nu

‘En nu’ de benen trapten hard op de pedalen, ‘En nu’ de handen klemden op de stuur, en stuurde door de straten. ‘En nu’ de bocht, de bochten, de straten, de fiets fietste de straten in, flats, huizen, mensen de fiets passeerde ze. ‘En nu’ haar gezicht stroomde tranen, tranen van woede, tranen van teleurstelling, haar hand veegde ze weg, de tranen mochten niet gezien worden. ‘Want nu’ Brood zal ze halen, een pot pindakaas, en een net uien. Ze pakte haar portemonnee, de centen, de dubbeltjes, de kwartjes, de guldens, de rijksdaalders tellen of er nog een pak melk bij kon. Het was leeg, weer leeg. Voor de zoveelste keer leeg. Ze zag weer de zoveelste aanklacht die ze zal maken, ze zal de waarheid uit de poel van hoop dreggen. Ze zag zichzelf wanhopig zijn, ze zag zichzelf overgeven aan de  teleurstelling, ze ging geloven niet omdat het waar was, ze ging het geloven omdat ze uitgeput was. ‘En nu’ haar benen trapten, hard op de pedalen. En harder, en nop harder. De benen draaiden rond. De fiets ging sneller en sneller.  En de stuur stuurde haar naar die ene flat. Aan de andere kant van de stad. Ze zal stevig en vastberaden, de nood van brood, pindakaas en net uien als een pijl afvuren, met een oog half dicht genepen, haar doel in het vizier,de boog spannen, en loslaten.

Een man, met vet haar  wat slierden langs zijn gezicht, een vriendelijke man, maar een verslaafde man, een man met een rode dikke kat, een lange man. De deur open doen. ‘Is hij hier?’ ‘Ja; zei de man met vette slieren haar langs zijn gezicht, een vriendelijke man, maar een verslaafde man, een man met een rode dikke kat, een lange man. Zij zag de geopende  blikken kattenvoer op het aanrecht staan. Ze telde  dat het er wel zeker zes waren. Ze zag de dikke rode kat. Opeens werd ze verlegen, ze aaide de dikke rode kat. Ze was blij dat de rode dikke kat zich liet aaien. Aaien maakt de woede zachter, aaien brengt het weer waar het eens was en weer is. Zij aaide de dikke rode kat, De dikke rode kat liep tevreden weg. En de “maar’ was van de nu gehaald. Ze was weer wie ze was. Ze trad de woonkamer in. Ze zag daar mensen, deze mensen zagen haar niet, ze namen geen notitie van haar. Ze zaten samen en eenzaam in deze woonkamer zittend op de grond, leunend over de salontafel, hangend in een bank. Ze stoorden niet aan haar, want ze was daar niet, ze zagen niet elkaar. Ze waren weg. Meegenomen op een reis, een reis met geen bestemming, geen uitzicht. Ze zag hem. Hij keek op maar zag haar niet. Zijn ogen straalden geen leven meer uit. Ogen op reis, naar bestemmingen zonder uitzicht. Verdronken in de poel van hoop en verlangen. Ze keek nogmaals de kamer rond, draaide zich om. Daar was geen Nu, en ze groette de man, met de vette slierten haar rond zijn gezicht, een vriendelijke man, maar een verslaafde man,een man met een dikke rode kat, een lange man. ‘de rode dikke kater liep voor haar  op de galerij. Ze had afscheid genomen. Nu.